Dichterbij de Landbouwcursus - Rudolf Isler

Oorspronkelijke Duitse versie van Rudolf Isler (2014)

De Landbouwcursus van Rudolf Steiner is sinds 1924 de bron van de biodynamische landbouw. De studie hiervan vraagt voor de nieuwe generatie boeren steeds meer toelichting, met name op de vele antroposofische gezichtspunten in deze cursus. 

De jarenlange ervaring van de Zwitserse auteur Rudolf Isler met lessen en gesprekken over biodynamische landbouw hebben geleid tot het ontstaan van dit boek. Onder zijn begeleiding hebben veel jonge studenten zich opengesteld voor de veeleisende studie van Steiners Landbouwcursus. Een aantal van hen drong aan op een schriftelijke samenvatting van het besprokene als studiemateriaal.

In de huidige vorm kan dit boek - al dan niet in Nederlandse vertaling - een hulp zijn voor anderen die de Landbouwcursus gelezen hebben en steeds weer opnieuw lezen. Het komt uiteraard niet in de plaats van de bestudering van de cursus zelf. 

Onderstaand een vertaling van de eerste bladzijden over de in de Landbouwcursus beschreven dynamische plantkunde.

Vertaling Pieter Geluk, augustus 2016

 

1. Een dynamische plantkunde

Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag, 1992. Nederlandse vertaling van Steiners Landbouwcursus uit 1924.

De landbouwcursus leert ons een dynamische kijk op planten, die sterk afwijkt van de biologie die we gewend zijn. Deze plantkunde wordt stapsgewijs opgebouwd van de eerste tot de zevende voordracht.

Reproductie en eetbaarheid: twee stromen in de plant

In de eerste voordracht is sprake van twee stromen die we in het leven van de plant kunnen onderscheiden (Lc 1e, p.24)*. De ene stroom leidt via het groeiproces naar reproductie en vermeerdering. Door te groeien realiseert de plant haar individuele bestaan en door te reproduceren zorgt ze voor het voortbestaan van de eigen soort. De reproductie is een vervolg en een metamorfose van de groeifase. De andere stroom maakt de plant tot voedingsmiddel voor mens en dier.

In de gewone biologie speelt deze zienswijze geen rol en is onbekend. De eetbaarheid wordt niet als iets belangrijks gezien voor het begrijpen van het wezen van de plant. Planten die voor andere levende wezens eetbaar zijn, geven iets van zichzelf weg. Schijnbaar hebben ze daar geen voordeel van. Sommige planten beschermen zich met doorns en gif om niet gegeten te worden, maar de meeste doen dat niet. In tegendeel, de wezens die zich met hen voeden trekken ze aan met hun smaak, geur, aroma en schoonheid. Planten willen geoogst worden. Hooi- en grasland zijn pas vitaal en productief als ze door dieren begraasd worden of wanneer de mens dit veevoer op het juiste moment afmaait. Ook het bos reageert met enthousiaste groei, als de “rijpe” bomen gekapt worden.

* Aanduidingen als (Lc 1e, p.24) verwijzen naar voordracht- en paginanummer van de betreffende tekst in de Nederlandse vertaling van Rudolf Steiners Landbouwcursus, getiteld “Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag”, uitgegeven in de reeks Werken en voordrachten, bij Vrij Geestesleven (1992).

De plant onder en boven de grond: een polariteit

Rode biet - onder en boven de grond

Dankzij Goethe beschikken we over een sterke uitbreiding van de plantkunde, die het ons mogelijk maakt dichter bij het wonder van het leven te komen. (De metamorfose van de planten – Johann Wolfgang Goethe, 1981, p. 5 e.v.). Goethe was een waarnemer. Als hij iets waarnam, wist hij ook de daarmee verbonden gedachten actief in de waarneming te betrekken. Een beproefde methode, zo lang we de bovengrondse delen van de plant waarnemen. Daarin laat de plant haar soortspecifieke vormen zien. Als boeren zijn we echter ook geïnteresseerd in de wortels, waarvoor we de bodem bewerken en verzorgen. Toch groeien de wortels volgens volkomen andere wetmatigheden dan de groene delen van de plant. Alleen in bijzondere gevallen kunnen we bij de wortels soortspecifieke kenmerken onderscheiden. Wortels laten geen eigen identiteit zien, maar verbinden zich met de bodem. Ze groeien daar, waar de bodem het hen toestaat en waar ze vinden wat ze nodig hebben. Wortels vormen een levend geheel met de bodem waarin ze groeien. 

Rudolf Steiner vergelijkt het groeiproces van de wortels met de zenuw- en zintuigactiviteit in ons hoofd. Wanneer we iets waarnemen verplaatst ons ik zich vanuit de eigen ziel, naar datgene wat we waarnemen. Bij elke zintuigelijke waarneming kunnen we eenvoudig nagaan hoe onze persoonlijke belevingswereld zich verbindt met de omgeving. Daartegenover staat het stofwisselingsproces, dat Steiner vergelijkt met hetgeen zich boven de grond in de lucht afspeelt. De planten nemen deel aan deze stofwisseling door levende materie op te bouwen met behulp van zonlicht. Als licht, lucht en  water op de groene plant inwerken, wordt dit in de fotosynthese omgezet in koolhydraten (suiker, zetmeel, cellulose, hout) en eiwitachtige stoffen, zoals chlorofyl, die in de levende plant actief zijn.

Nu kan de plant niet alleen in haar bovengrondse delen eetbaar worden, maar ook in wortels en in ondergrondse stengelknollen. Wanneer wortels eetbaar worden, zijn hierin krachten werkzaam, die bij normale wortelgroei niet actief zijn. Steiner noemt dit kosmische krachten en hij noemt eetbare wortels daarom kosmische wortels. Aan de andere kant noemen we de vertakte wortels, die zich zoekend in de aarde dringen, aardse wortels. In dit verband zegt Steiner in de tweede voordracht, dat het ABC van de beoordeling van de plantengroei daaruit bestaat, “… dat we steeds kunnen zeggen: wat is aan een plant kosmisch, wat is aan een plant terrestrisch, aards?” (Lc 2e, p.45)

Plantengroei in ruimte en tegenruimte

Projectieve meetkunde: aardse ruimte en kosmische tegenruimte (zie Herman Meyvis)

Het onderscheid tussen het kosmische en het terrestrische is een centraal thema in de landbouwcursus. Meteen aan het begin van de eerste voordracht zegt Steiner, dat het om een sterke uitbreiding gaat van onze kijk op het leven in kosmische richting (Lc 1e, p.19). Met kosmisch bedoelen we hier alles, wat niet afkomstig is van de aarde met inbegrip van haar atmosfeer, maar vanuit de ruimte daarbuiten. Tot dit kosmische rekenen we ook het etherische. In veel gevallen kun je deze beide begrippen aan elkaar gelijkstellen; zo onderscheidt Steiner “… het aards-fysieke, dat in het levenloze heerst, en het buitenaards-etherische, dat zijn krachten in het levende tentoonspreidt.” (GA 26 -Kerngedachten van de antroposofie, WV, 1996. p.18).

Zowel dit aards-fysieke als het buitenaards-etherische, bevindt zich in de ruimte, zij het in twee verschillende ruimtes, die zich polair tot elkaar verhouden. De in de 19de eeuw nieuw ontstane projectieve meetkunde laat zien dat er twee ruimtes zijn die elkaar doordringen. (Naar de voet van de regenboog - Herman Meyvis, Via Libra – 2014, p.84 e.v.).

De ene ruimte (hier links) straalt uit van punt naar punt en wordt van binnenuit gevuld; de andere (hier rechts) begint in het oneindige en vormt de ruimte van buitenaf door uitsparing. Zo kan een cirkel uit punten worden opgebouwd, die even ver van het middelpunt verwijderd zijn. Deze kan echter ook uit raaklijnen ontstaan, die de cirkel van buitenaf omhullen. Hetzelfde kun je in de driedimensionale ruimte ook van de bolvorm zeggen, die van buitenaf door raakvlakken gevormd kan worden.

De straalvormige puntruimte nu, is de aardse ruimte. De aardse krachten gaan altijd van één punt uit en oefenen een druk-, stoot- of trekkracht uit op andere punten. De door raakvlakken gevormde ruimte is de etherische of kosmische tegenruimte. Vanuit oneindige verten zijn de etherische krachten hierin werkzaam. Je kunt ook van positieve en negatieve ruimte spreken. Het binnenste van de zon bestaat alleen uit negatieve ruimte en bevat geen fysieke, maar uitsluitend etherische substantie en levenskracht, waarmee zij de planeten in hun baan houdt.

Alleen met deze polaire voorstelling van ruimte kunnen we het leven van de plant begrijpen. Als zaad is de fysieke plant in één punt geconcentreerd. Haar uitgegroeide vorm is op dat moment zintuiglijk niet waarneembaar, maar toch als etherische plant aanwezig in de etherische tegenruimte. Vanuit het zaad-punt groeit de plant haar etherische tegenbeeld tegemoet, tot beide samenvallen om dan, als de plant vergaat, weer uit elkaar te gaan.

Planten hebben zich zonder enige terughouding overgegeven aan de terrestrische en kosmische invloeden en ze ontwikkelen geen enkele begeerte zoals dieren dat doen. Daarom werken de kosmische krachten zo, dat de planten zich oprichten en zich losmaken van de zwaarte. Planten zijn echter ook met de aarde verbonden en vormen een aaneengesloten plantendek, waarbij de individuele plant onbaatzuchtig opgaat in het grote geheel.

Het astrale begint waar het etherische ophoudt

Goethe's essay over de metamorfose (1981).

Het hele fysieke lichaam van de plant is iets levends, dat wil zeggen, dat het levende – het buitenaards-etherische – niet alleen van buitenaf op de plant inwerkt, maar als etherisch lichaam volledig met haar is verbonden. De plant beschikt dus over een fysiek lichaam en een etherlichaam. Boven dit etherische uit, is er nog een hogere macht, die de levensprocessen kan beïnvloeden, veranderen en bijsturen. Bij dieren en mensen is dit anders: daarin huist een eigen ziel, zij beschikken over een zielelichaam of astraallichaam. Op de plant is dit astrale alleen van buitenaf werkzaam. Het astrale werkt hier als een hogere macht en dringt dit etherische terug. Wanneer in de planten alleen het etherische werkzaam zou zijn, zouden deze nog wel de gewone levensfuncties vertonen, zoals groei, voortplanting, opname en uitscheiding; ze zouden ook wel de mogelijkheid hebben zich te ordenen en te vormen, maar die vorm zou niet echt concreet worden.

Goethe zag en beschreef dit gemeenschappelijke plantenwezen als “de oerplant” en zei hiervan, dat deze “… zich in alle gestalten kan verbergen en openbaren. Van begin tot eind is de plant alleen maar blad,…”. (De metamorfose van de planten – J.W. Goethe, Christofoor, 1981, p. 17).

Maar hij zei ook, dat je uit de oerplant elke denkbare concrete plant kunt construeren. Daar kun je uit opmaken, dat er nog iets anders aan dit gemeenschappelijk plantaardige moet worden toegevoegd, iets dat zich met de oerplant verbindt. Dat is het astrale. Dat zorgt er voor dat er verschillende plantensoorten zijn en dat een spar anders groeit dan een berk. Het gemeenschappelijk plantaardige wordt hierdoor ingeperkt en moet zich richten naar de hogere macht, die uit de sterrenwereld komt. Dit astrale komt via het etherische in contact met het fysieke en maakt de fysieke verschijning mogelijk. Het etherische wordt daardoor in zijn werkzaamheid beperkt, ten dienste van iets hogers. Het dier - waarin het astrale sterker werkt dan in de plant - kan ziek worden. Het onderwerpt zich ook sterker aan de zwaartekracht, wat aan de hele gestalte van de dieren is af te lezen. Bij dieren staat het leven ten dienste van de ziel.

Het etherische werkt het beste in het waterelement, in tegenstelling tot het astrale, dat verwant is aan de lucht. Tot tweemaal toe brengt Steiner in de Landbouwcursus de bomen ter sprake, omdat je daar de werking van het astrale op alle planten goed kunt bestuderen en ervaren (Lc 4e, p.76 en Lc 7e, p.169). In hun kroon verzamelen en concentreren de bomen de astraliteit, die over de hele atmosfeer verspreid is. Met het woord atmosfeer bedoelen we hier niet alleen de lucht, maar ook de stemming in een bepaalde ruimte. Zulke stemmingen ervaren we ook in het landschap, vooral in het steeds wisselende spel van licht en duisternis in de lucht, maar zeker ook in wat we ruiken. De beleving van deze stemming is nog veel sterker als we een groot bos ingaan of in de kroon van een boom komen. Insecten en vogels, die thuis zijn in de lucht, houden zich graag op in bomen en bossen. Deze versterkte astraliteit leidt ertoe, dat de vitaliteit in bomen vermindert en - meer dan bij kruidachtige planten - tot verstarring komt. Daarom verharden de plantencellen die in het cambium ontstaan, vrij snel tot hout- en bastweefsel. Het kernhout en de schors sterven zelfs af. In de zevende voordracht stelt Steiner vast, dat ook de bodem onder de bomen minder vitaal is dan in het open veld (Lc 7e, p.173).

De kruidachtige planten in onze akkers en weilanden worden van bovenaf aangeraakt door de gemeenschappelijke astraliteit van de lucht. Dat is het duidelijkst te ervaren, op het moment dat de insecten de bloemen bezoeken. Ook in het wortelgebied van de planten zijn dieren aan het werk, niet om daar astraliteit te brengen, zoals de insecten dat doen, maar om overtollige vitaliteit af te voeren. Vooral de regenwormen wijden zich aan deze taak, door lucht in de verdichte bodem te brengen en vanuit hun kalkklieren kleine hoeveelheden kalk in de bodem te verspreiden. Ook aan de regenwormhoopjes kunnen we zien, dat deze dieren in staat zijn, structuur in de bodem te brengen. Dat doen ze ook in de composthoop, als deze te nat is en te weinig lucht bevat.

“Woekerend etherisch leven” ontstaat op plaatsen, waar het astrale onvoldoende werkzaam is (Lc. 4e p.81). Dat is bijvoorbeeld het geval in de composthoop en in de bodem, wanneer de humusprocessen met teveel vocht en rotting verlopen om een stabiele kruimelstructuur op te leveren. Hier moeten we, geheel naar het voorbeeld van de regenwormen, lucht in de bodem brengen en eventueel kalk gebruiken. Kalk is volgens de Landbouwcursus de enige minerale stof, die aan de bodem kan worden toegevoegd, maar dan niet als “plantenvoeding” zoals in de kunstmest-visie, maar ter versterking van de astrale werking in het humusproces (Lc. 4e p.81). Steiner adviseert gebluste kalk, waarschijnlijk omdat dit chemisch zeer actief is en hierin "het begeertekarakter van de kalk" volledig tot uitdrukking komt (Lc. 3e p.69). Ook algenkalk, dat nog dichter bij het levende staat dan oude kalksteen, heeft zich inmiddels bewezen. Eenzelfde taak is echter ook toebedeeld aan het in de vijfde voordracht beschreven eikenschorspreparaat, dat door de bereidingswijze rechtstreeks voortkomt uit levensprocessen (Lc. 5e p.122).

Geen plantengroei zonder planeten

De akkerpaardestaart

Als we naar de sterrenhemel kijken, zien we  niet alleen een kosmos die ons aan alle kanten omgeeft, maar ook een ruimte die door de sterren wordt geordend en gevormd. Beide ervaringen zijn terug te vinden in de manier waarop de kosmos invloed uitoefent op de aarde. Het etherische dat al het levende omgeeft wordt door het astrale tot drager van concrete levende vormen. Om die reden kenmerkte Steiner deze gevormde etherkrachten als “vormkrachten” en het etherlichaam als “vormkrachtenlichaam”. De Landbouwcursus gaat er uitvoerig op in, hoe de planeten ordenend werken op de levensprocessen van de planten. Zij sturen de kosmische en aardse krachten naar de juiste plaats. De vaste sterren daarentegen werken in op de vorm van iedere afzonderlijke plantensoort. 

Dat noemde Steiner niet in de landbouwcursus, maar wel in een voordracht van twee jaar daarvoor: „ De vaste sterren laten ons de rustende sterrenbeelden zien, die aan planten hun vorm geven. De beweeglijke planeten echter, sturen bewegende krachten naar de aarde. Zij zijn het die de planten min of meer vanaf hun wortels omhoog trekken en steeds hoger en verder laten groeien. Precies zoals de vorm van de planten is opgebouwd vanuit de vaste sterrenhemel, zo krijgt de groeibeweging haar vorm door de beweging van de hemellichamen die dichter bij de aarde staan. Alleen wat in de plant zelf gebeurt, de stofwisseling - bijvoorbeeld dat de plant koolzuurgas inademt, wat we de assimilatie noemen: de koolstof vrijmaakt om daar haar koolstofskelet mee op te bouwen - dat komt door de krachten van de aarde zelf. We kunnen dus zeggen: wanneer we de plant als geheel beschouwen, is haar vorm van de sterrenhemel, haar groei van de planetenbeweging, en haar stofwisseling van de aarde.“ (GA 213 – Menschenfragen und Weltenantworten, p.231). Over de dieren zegt Steiner, dat hun vormen niet van de hele vaste sterrenhemel afhankelijk zijn, maar alleen van de sterrenbeelden in de dierenriem. De plantenvormen zijn daarentegen als aardse afspiegelingen van de sterrenwereld zonder de dierenriem.

In de Landbouwcursus spelen niet de vaste sterren, maar de planeten een grote rol, aangezien het boerenbedrijf te maken heeft met de levensprocessen, met de groei van de planten. De verre planeten mars, jupiter en saturnus leiden samen met de zon de kosmische krachten naar de aarde. De kiezel in de bodem neemt deze krachten op. De klei in de bodem zorgt ervoor, dat de kosmische krachten in de plant van onder naar boven opstijgen. Als alleen deze kosmische krachten zouden werken, zouden er dunne en fijn ingesneden planten ontstaan, zoiets als de akkerpaardestaart. De aardse krachten, ondersteund door maan, mercurius en venus, zorgen er samen met de zon voor, dat de planten in de breedte groeien, dik worden, biomassa vormen en zich voortplanten. Toch is de eetbaarheid niet alleen een kwestie van biomassa, maar ook van kwaliteit. Eetbare plantendelen zijn voedzaam, geurig en smaakvol. Daartoe moet de plantenmassa een rijpingsproces doormaken, dat tot stand komt door de inwerking van kosmische krachten onder invloed van de verre planeten. Door de rijping worden de eetbare delen niet alleen groot, zacht, zoet en aromatisch, maar ook een kortere of langere tijd houdbaar. Het levensproces is daarin niet gestopt, het gaat nog een tijdje door.

Eetbaarheid is voor de plant verbonden met een onderbreking van het groeiproces. De eetbare delen zijn voor de plant zelf een opslag van reservestoffen, waardoor deze later verder kan groeien. Dit doet zich met name voor bij veel groentegewassen, die voor hun levenscyclus twee jaren (twee zomers) nodig hebben. Aan het einde van het eerste jaar leggen ze een reservevoorraad aan, waarmee ze de winter doorkomen en met hulp waarvan ze in het tweede jaar stengels, bloemen en zaden maken. Dit biedt echter nog geen verklaring voor de fijne smaak en de geur. Waarom wordt een zomerwortel zo zacht en zo zoet? Het is toch opvallend dat zoveel planten zich als cultuurgewas zo laten kweken, dat ze ons dienen als voedings- en genotmiddel. Dat zou onmogelijk zijn, als deze eigenschap niet in aanleg in deze planten aanwezig was. Kweken is altijd een selectieproces en in de diversiteit waar de kwekers uit kunnen kiezen, speelt altijd nog een factor mee, die wij niet zelf maken, maar die de plant ons aanreikt. Geen kweker weet wat er tevoorschijn komt, als hij planten kruist, bestraalt of met colchicine behandelt. Pas wanneer de zaden uitgezaaid zijn, kan zichtbaar worden, of er iets bruikbaars bij zit.

Chaos in een levende bodem

De bladeren en de bloemen maken de werking zichtbaar van zowel de vormende kosmische krachten als van de aardse materialisatie daarvan. Naarmate een plant echter aan zaadvorming toekomt, des te meer verliest deze de in aardse materie uitgedrukte vorm, om daarna, vanuit een bijna vormloos zaadje in een totaal nieuwe plant weer te voorschijn te komen. Deze tussenfase van de zaadvorming is vergelijkbaar met de chaos voorafgaand aan de schepping van de aarde. Alleen het zaad gaat door deze chaos-fase heen: de overige plantendelen verwelken en sterven af, voordat alles in de chaos verdwijnt. Als dit dan gaat wegrotten, komt het erop aan , dat er een min of meer duurzame humus ontstaat. De humusstoffen - die in chemisch opzicht zuur zijn - blijven alleen dan behouden in de bodem, als ze niet in water oplossen en uitspoelen. Ook bij stikstofrijke humuszuren is dat mogelijk, maar daar is wel kalk bij nodig. Steiner spreekt van „het kalkachtige“, omdat naast kalk ook kali en andere basisch werkende stoffen ervoor zorgen dat de zure humusstoffen gaan uitvlokken of bezinken, zodat zij zich aan kleimineralen kunnen binden. Dat kalk op deze manier het aardse - in de vorm van humus - de bodem in trekt en daar vasthoudt, is in de bodemkunde welbekend. Steiner schrijft het toe aan „het begeertekarakter van de kalk“, dat deze daartoe in staat is (Lc. 3e p.69).

De levende plantenmaterie is uiteraard opgebouwd met behulp van zonlicht. Zodra de plant echter afsterft, is dit fysieke, aardse materie. De humus, die door complexe omzettingen uit dit organisch materiaal ontstaat, is dan ook iets door en door aards. Dit is vooral voor de jonge planten van grote betekenis. De plant heeft in haar beginfase namelijk een bepaald soort voeding nodig. In het eerste begin teert de plant op de reservestoffen uit het zaad en in de daaropvolgende fase gedijen de jonge planten het best op rijpe humus. Daarom is het belangrijk dat het zaad in een humusrijke, levende bouwvoor terechtkomt. In de vierde voordracht zegt Steiner: “In wezen heeft al het plantenleven in de verte iets parasitairs, in die zin dat het zich eigenlijk als een parasiet op de levende aarde ontwikkelt.” (Lc. 4e p.78). Voor een plant is dit misschien wel noodzakelijk om zich verder te kunnen ontwikkelen naar de vruchtvorming. Met name bij cultuurgewassen is deze vruchtvorming zo belangrijk, omdat dit immers mogelijk maakt dat ze eetbaar worden. In dit verband noemt Steiner de humusrijke zwarte aarde als goed voorbeeld voor de landbouw.

Naarmate de plant verder groeit, dringen de wortels steeds dieper de bodem in. Daar kunnen ze - met hulp van de door hen uitgescheiden stoffen en de daardoor bevorderde bacterie- en schimmelgroei - de mineralen rechtstreeks opnemen en beschikbaar maken als plantenvoeding. Bij de meeste gewassen kun je vrij nauwkeurig aangeven wanneer de omkering plaatsvindt van passieve, vreemde voeding naar de actieve, zelfstandige fase. Wanneer in het graan de aar tevoorschijn komt, beginnen de wortels tot grote diepte door te dringen. Zo komen haverwortels in een doorwortelbare bodem wel tot anderhalve meter diep. Er zijn echter ook planten, waarvan de wortels hun leven lang in de “parasitaire” fase blijven en dicht aan de oppervlakte alle kanten op groeien. Dat kun je goed waarnemen bij pompoen- en koolplanten.

De gevende plant

Aan het einde van de zevende voordracht staat de uitdrukking “de plant leeft door te geven”, als een kroon op de tot daar beschreven plantkunde (Lc. 7e p.182). Deze uitspraak van Steiner kunnen we pas echt begrijpen, als we de door hem ontwikkelde inzichten verder uitwerken op het gebied van de chemie, de bemesting en de voeding van mens en dier.